Tijdelijke titel

🇬🇧

We hebben dus per situatie twee (2) vormen. Voor dingen die dichtbij zijn, gebruiken we ‘deze’ en ‘dit’. 

Voor dingen die ver weg zijn, gebruiken we ‘die’ en ‘dat’. 

Kun jij het verschil tussen de twee (2) vormen zien in de Hoofdstuktekst?

🇬🇧

De vormen staan op de plek van het lidwoord. Ze vervangen het lidwoord. De aanwijzend voornaamwoorden ‘deze’ en ‘die’ vervangen het lidwoord ‘de’. 

De aanwijzend voornaamwoorden ‘dit’ en ‘dat’ vervangen het lidwoord ‘het’. 

In deze afbeelding zie je een handig overzicht.

Dichtbij (close) Ver weg (far)
De deze die
Het dit dat

Madelief heeft een brave kat. Ze gaat graag naar buiten. Iedere persoon in haar straat kent haar kat. Madelief laat haar frequent naar buiten. Dat gaat vaak goed. Het gaat deze keer niet goed. De kat is stout vandaag. Ze is nog niet thuis. Het is al etenstijd! De kat van Madelief is kwijt.

Madelief wacht. Ze zit in de woonkamer en drinkt een kopje thee. Ze is bezorgd. Ze kijkt uit het raam. De zon is oranje.

Ze besluit: “Ik wil dat mijn kat thuis is.” Ze zet haar kopje op het tafeltje en ze staat op. Ze pakt een blauw spijkerjasje en ze trekt haar grijze sneakers met kapotte veters aan. De veters van haar blauwe schoenen zijn kapotter dan deze. Ze doet haar jas dicht. Het is tijd om haar kat te zoeken!

Het is rustig buiten. Het is bijna donker. Het is warm. Het weer is beter dan gisteren. Madelief loopt op de stoep. Ze kijkt rond. Het is avond. Bijna alle mensen zijn binnen. Ze hoopt dat iemand buiten is. Ze wil iets vragen.

Ze ziet een gele auto bij een geel huisje. Een man staat buiten. Hij wast zijn auto. 

Madelief vraagt: “Hallo meneer. Mag ik u wat vragen?” 

De man kijkt op. Hij zegt: “Ja, dat mag. Wat is er?”

“Ik zoek mijn kat. Ze is klein. Haar vacht is grijs, maar haar pootjes zijn wit.”

De man denkt na en hij vraagt: “En jouw kat heeft een witte neus?”

Madelief knikt. “Dat klopt. Ze heeft een wit neusje.”

Een klein jongetje rent uit het gele huisje. Hij knuffelt de benen van de man. De man glimlacht en hij zegt: “Dit is ons zoontje hier. Hij is een lief mannetje!” 

Het jongetje zegt: “Hoi!” Madelief zegt ‘hoi’ terug. 

De vader zegt: “Jouw kat loopt ergens rond. Ik herken de beschrijving. Onze zwarte kat is ook buiten. Hij is even groot als jouw kat. Ze zijn misschien samen.” 

Madelief zucht. Ze is opgelucht. Dat is een goed teken. 

“Dankuwel. Jullie kat is vaak kwijt.”

“Ja, die kat van ons verdwijnt regelmatig. Hij is lief. Hij is liever dan onze andere kat. Hij komt altijd terug. Hij houdt veel van z’n eten!”

Het zoontje zegt: “Uw kat komt naar huis. Ik weet het zeker! Je vindt haar wel!”

Madelief glimlacht. Ze bedankt de vader en zijn zoon. Die wassen hun auto nu samen.

Madelief loopt verder. Bomen staan langs de weg. Sommige bomen zijn klein. Het zijn boompjes. De kat van Madelief klimt graag in kleine boompjes. Ze vindt de grote bomen eng. 

Madelief kijkt naar de hoge takken. De kat is daar niet. Ze kijkt naar de hogere takken. De kat is daar ook niet. Ze kijkt naar de hoogste takken. De kat is daar ook niet. Madelief zucht. Ze is teleurgesteld. Haar kat is hier niet. Haar poes heeft de beste verstopplek. Ze loopt verder. 

Madelief roept: “Ik zie iets!” De snelle Madelief rent naar een groen woninkje. Elk huis heeft een eigen kleur. De kleine groene woning staat op de hoek. Madelief ziet iets in het hoekje van de tuin. Ze ziet drie paden. Ze kiest het pad met de minste stenen. Ze komt dichterbij. Een klein konijntje rent weg. Het konijntje is kleiner dan de kat van Madelief. Madelief zucht.

Madelief zoekt verder. De tuin heeft weinig verstopplekken. Ze loopt verder. Het is nu minder warm. De zon is laag. Het is zo meteen het minst warm van de hele dag. 

Een mevrouw loopt op de stoep. Madelief spreekt haar aan.

“Hallo mevrouw. Hier, dit is een foto. Ik zoek deze kat. Ze moet thuiskomen.” De mevrouw kijkt naar de foto.

Ze zegt: “Dat is een lief poesje! Ik heb ook een poes. Hij is ouder dan jouw poesje. Hij is ook liever dan jouw kat. Hij loopt nooit weg. Hij is het liefste katertje!”

“Ik ben haar kwijt. Ik hoop dat iemand haar ziet.”

“Elke kat komt weer thuis.” Een oranje kat loopt op straat. De mevrouw wijst naar hem. “Die kat daar is van mij. M’n lieve Tijgertje is ook graag buiten.” De kat loopt het rode huis in. “Dat is mijn huis daar. Hij gaat nu naar z’n mandje.” De mevrouw glimlacht naar Madelief. “Het is etenstijd en ik ben moe. Ik hoop dat je je kat vindt.” 

Ze zeggen gedag. Madelief loopt door. Ze is even moe als de mevrouw.

Iedereen is binnen. De zon is nog lager. Madelief moet naar huis. Alles is donker buiten.

Madelief loopt naar het kleinste huisje in de straat. Het kleine woninkje is paars. Dit huis is van haar. Haar huis is het mooist. Ze gaat naar binnen.

“MIAUW” 

Madelief hapt naar adem. “Je bent weer thuis!” De poes geeft haar een kopje en loopt naar haar voerbak. Ze heeft honger.  

Madelief zucht: “Jij wilt eten.” Ze is opgelucht. Ze is ook geïrriteerd. “Jij maakt mij bang en jij wil nu je eten. Je bent een deugniet.” Ze geeft d’r kat het eten. Het zijn veel brokjes. Haar voerbakje is leeg. Ze is sneller dan normaal. 

“MIAUW.” De poes heeft alles op. Ze wil meer eten. Madelief geeft meer brokjes. Madelief staat naast haar kat. Ze kijkt naar haar schoenen. Die zijn grijzer dan de vacht van de poes. 

De poes miauwt een minuut later weer.

“Je krijgt niet meer eten. Dit is het meeste eten dat ik je kan geven.” Ze aait haar kat. De kat spint. Alle stress van Madelief verdwijnt. Haar kat is weer thuis.