Taalvergelijking

Het Nederlands heeft twee (2) soorten lidwoorden: bepaald en onbepaald.

definite (bepaald) and indefinite (onbepaald).

You use definite articles with specific nouns. This indicates you know who or what you are talking about. When you talk about ‘de man’ (the man), you are pointing to a specific man. When you talk about ‘een man’ (a man), it could be any man.

The definite articles are ‘de’ and ‘het’. You use ‘de’ for masculine and feminine words and ‘het’ for neuter words.

Misschien heb je al gezien dat twee (2) lidwoorden klinken als de Engelse lidwoorden:

‘De’  lijkt op ‘the’ en ‘een’ lijkt op ‘a(n)’.

Dit is fijn, want ‘een’ en ‘a(n)’ betekenen hetzelfde. ‘

De’ en ‘het’ zijn samen een vertaling van ‘the’. 

Andere talen hebben ook twee (2) groepen:

de / het

een

the

de / het

a(n)

een

le / la / les

de / het

un(e)

een

el / la / los / las

de / het

un / una

een

o / a / os / as

de / het

um / uma

een

der / die / das

de / het

ein

een

Sommige talen hebben ook meerdere bepaalde lidwoorden. Maar dan hebben de zelfstandig naamwoorden vaak een ‘geslacht’. Kijk maar naar de tabel. 

Tip! Wist je dat?

We gebruiken 'de' aanzienlijk meer dan 'het'. 83% van de zelfstandige naamwoorden maakt gebruik van het lidwoord 'de'. Dus, als je niet weet welke je moet gebruiken, gok dan gewoon 'de' en je hebt waarschijnlijk gelijk.

We hebben mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden in het Nederlands. 

Mannelijke en vrouwelijke woorden krijgen ‘de’. Onzijdige woorden krijgen ‘het’. 

Helaas is het moeilijk om te zien of een woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. Gelukkig gaan we daar nu nog niet over praten.

In plaats daarvan gaan we naar de tekst kijken. Kijk eens hoe vaak we ‘de’ gebruiken.

Dus geen zorgen als je niet weet of je ‘de’ of ‘het’ nodig hebt. Je hoeft voor nu alleen te weten wanneer je ‘de/het’ of ‘een’ gebruikt.

Taalvergelijking

Niet alle talen gebruiken lidwoorden hetzelfde als het Nederlands. Sommige talen hebben geen bepaalde lidwoorden, zoals het Turks (kitap = het boek), sommige talen hebben geen onbepaald lidwoord, zoals het Marokkaans (kursi = een stoel). Je hebt ook talen waarbij het lidwoord op een andere plaats staat, zoals het Deens (bogen = het boek). 

Hoe zien lidwoorden eruit in jouw taal?

Madelief doet boodschappen vandaag. Zij heeft eten nodig voor haar kat. De melk is op. Ze heeft geen avondeten. 

Madelief heeft geen zin. Ze houdt niet van boodschappen doen. Ze legt haar boek neer. Ze heeft veel boeken. Ze houdt van lezen. Madelief zucht.

Ze zegt tegen haar kat: “Ik ga weg.” Ze kijkt op de klok. Het is nu half twee. “Ik ben om twee uur terug. Je bent niet lang alleen.” Ze aait de kat. “Ik haal ook een snack voor jou.” Ze pakt haar tas. Ze loopt de voordeur uit. Ze denkt hardop: “Ik kan dit.” 

Het is druk op straat. Madelief ziet geen auto’s. Ze ziet veel mensen. Ze loopt langs cafés, restaurants en huizen. Ze loopt naar de supermarkt. Het duurt vijf minuten. De zon schijnt. Vier vrouwen voetballen op straat. Zij hebben plezier.

Het is mooi weer. Madelief wandelt graag. 

Ze verlaat de drukke straten. Ze loopt de supermarkt in. Het boodschappenlijstje is kort. Ze pakt een mandje. 

“Ik heb brood nodig.” Madelief kijkt rond en ze ziet de bakkerij. Zij zoekt wit brood. Op een bord staat: AANBIEDING: TWEE BRODEN VOOR DRIE EURO. Ze vindt het witte brood en ze pakt twee broden. Ze kijkt weer op haar boodschappenlijstje.

“Ik zoek nu appels.” Ze loopt naar de fruitafdeling. De appels zijn rood of groen. Ze pakt een plastic zakje. Ze vult hem met vijf rode appels. Ze weegt het gevulde zakje. Het gewicht is zevenhonderdvijfenveertig gram. Het kost één euro en negenennegentig cent. Ze doet het gevulde zakje in haar mandje.

“Ik zoek het kattenvoer.” Ze loopt de supermarkt door. Ze ziet de zakken kattenvoer. Ze pakt een zak. Ze doet de zak in haar mandje. 

Ze kijkt op haar telefoon: Dertien uur en vijfenveertig minuten. De tijd is kwart voor twee. De tijd gaat snel. Ze kijkt op het lijstje. 

“Ik heb een pak melk nodig.” Ze pauzeert. “Ik haal drie pakken. Mijn vader komt op bezoek. Hij drinkt veel melk en ik wil een cake bakken.” Ze pakt drie pakken halfvolle melk. Een vrouw staat naast haar. Zij pakt ook een pak melk. 

Een kind spreekt tegen de vrouw: “Mama, ik wil chocolade.” Hij pakt haar rok vast. “Ik wil het heel graag.”

De moeder zegt lief: “Wij pakken eerst het fruit. We zoeken bananen. We halen later de chocolade. Jij kiest de smaak.” De moeder geeft het kind een schouderklopje. “We gaan verder.” De moeder en het kind lopen weg. 

Madelief glimlacht om de interactie. Haar moeder houdt ook van chocolade. Zij wil wel chocolade. Madelief zoekt naar de snoepafdeling. Ze kijkt naar de repen chocolade en ze pakt een reep pure chocolade. Madelief en haar moeder eten graag chocoladerepen. Zij vinden chocolade erg lekker. 

Madelief zoekt nu yoghurt. Ze loopt terug naar de koeling. Madelief vindt de yoghurt snel. 

Het lijstje is klaar. Madelief moet nog avondeten. Ze wil niet koken. Ze loopt naar de diepvries. Ze ziet vierentwintig pizza’s. Madelief pakt een spinaziepizza. 

“Ik wil een snack.” Madelief kijkt rond. Ze loopt naar de groentes. “Wortels zijn een lekkere snack.” Ze pakt een zak wortels. 

Ze kijkt weer op haar telefoon. Het is tien minuten voor twee. Ze moet naar huis. De kat mist Madelief. Madelief mist de kat. Ze missen elkaar. 

Madelief loopt naar de kassa. 

De moeder en het kind zien haar. Zij glimlachen. 

Het kind vraagt aan Madelief: “Hoi, hoe gaat het?” Madelief lacht.

“Goed, met jou?”

“Ik heb chocolade! Wij hebben boodschappen.”

“Ik zie het. Jullie hebben veel boodschappen.”

Het kind knikt. Hij antwoordt: “Jij hebt niet veel dingen.” Madelief kijkt in haar mandje.

Ze zegt: “Dat klopt. Ik heb niet veel.” 

“Je lijkt op een prinses.” Madelief bloost.

Ze zegt: “Dankjewel. Jij lijkt op een prins.” Ze blozen nu allebei.

Het kind kijkt weer naar haar mandje. “Je eet niet veel.” Hij trekt aan de rok van zijn moeder.

Het kind zegt verwonderd: “Mama, zij heeft niet veel boodschappen.” De moeder glimlacht. “Dat klopt.” Het kind kijkt weer naar Madelief. 

Madelief legt uit: “Jullie zijn twee mensen, ik ben alleen. Jullie eten meer. Jullie kopen meer producten.”

Madelief legt de producten klaar. Ze pakt haar portemonnee. 

Bart roept: “Wij versturen brieven! Ik verstuur een brief en mama verstuurt de andere brief. We doen de brieven in de brievenbus!” Hij wijst naar een oranje bak. Madelief glimlacht. 

“Leuk!”

De moeder zegt: “Bart, wij moeten naar huis!” Het kind, Bart, knikt.

Hij zegt tegen Madelief: “Dag mevrouw! Ik ga, doei!” Hij zwaait. Hij rent naar de parkeerplaats. Zijn moeder volgt snel. Madelief kijkt ze na. Ze zwaait ook. Het is een schattige interactie. De moeder en zoon reizen naar huis.

De caissière groet Madelief. Madelief groet terug. 

De caissière zegt: “Het wordt samen zeventien euro en vijftien cent alstublieft.” Madelief pint het bedrag. 

“Wilt u de bon?” 

Madelief antwoordt: “Ja, graag. Dankuwel.” Ze pakt de bon. “Fijne dag!”

“Fijne dag!” Madelief reist naar huis.

Madelief komt thuis. Ze zit op de bank. De kat zit naast haar. Ze kijken samen televisie. De kat spint. Madelief zegt: “Jij bent lief.”

Taalvergelijking - Dutch Ready

taalvergelijking

Lorem ipsum dolor sit amet

Lorem ipsum dolorsit amet

Lorem ipsum dolor sit amet

Lorem ipsum dolorsit amet

Lorem ipsum dolor sit amet

Lorem ipsum dolorsit amet

Lorem ipsum dolor sit amet

Lorem ipsum dolorsit amet

Lorem ipsum dolor sit amet

Lorem ipsum dolorsit amet

Lorem ipsum dolor sit amet

Lorem ipsum dolorsit amet

Lorem ipsum dolor sit amet

Lorem ipsum dolorsit amet

De man eet de banaan.

De vrouw drinkt het water.

Het kind schopt de bal.

De man eet de banaan.

De vrouw drinkt het water.

Het kind schopt de bal.

De man eet de banaan.

De vrouw drinkt het water.

Het kind schopt de bal.

De man eet de banaan.

De vrouw drinkt het water.

Het kind schopt de bal.

De man eet de banaan.

De vrouw drinkt het water.

Het kind schopt de bal.

De man eet de banaan.

De vrouw drinkt het water.

Het kind schopt de bal.

De man eet de banaan.

De vrouw drinkt het water.

Het kind schopt de bal.