7.4 πŸ”Ž Exploration | conjugations

πŸ‡³πŸ‡± Verkennen | werkwoordstijd

πŸ‡¬πŸ‡§

Laten we nog een keer naar de Ontdekkingstekst kijken.

Dit is een ander stukje met veel werkwoorden. Ze zijn dikgedrukt.Β 

πŸ‡¬πŸ‡§

Kun je zien hoe de werkwoorden veranderen?

Heb je een antwoord bedacht? Dan mag je door naar de volgende pagina.

Note:

Dutch and English word order differ. The English texts shows the Dutch terms (in bold) in the place where English would put its equivalent term. This can cause a few strange sentences.

Dutch text
πŸ‡³πŸ‡±
English text
πŸ‡¬πŸ‡§

Madelief loopt naar de kassa.

De moeder en het kind zien haar. Zij glimlachen.

Het kind vraagt aan Madelief: β€œHoi, hoe gaat het?” Madelief lacht.
β€œGoed, en met jou?”

β€œIk heb chocolade! Wij hebben boodschappen.”

β€œIk zie het. Jullie hebben veel boodschappen.”

Het kind knikt. Hij antwoordt: β€œJij hebt niet veel dingen.” Madelief kijkt in haar mandje.

Ze zegt: β€œDat klopt. Ik heb niet veel.”

β€œJe lijkt op een prinses.” Madelief bloost.

Ze zegt: β€œDankjewel. Jij lijkt op een prins.” Ze blozen nu allebei.

Het kind kijkt weer naar haar mandje. β€œJe eet niet veel.” Hij trekt aan de rok van zijn moeder.