π¬π§
π¬π§
Laten we nog een keer naar de Ontdekkingstekst kijken.
Dit is een ander stukje met veel werkwoorden. Ze zijn dikgedrukt.Β
π¬π§
Kun je zien hoe de werkwoorden veranderen?
Heb je een antwoord bedacht? Dan mag je door naar de volgende pagina.
Note:
Dutch and English word order differ. The English texts shows the Dutch terms (in bold) in the place where English would put its equivalent term. This can cause a few strange sentences.
Madelief loopt naar de kassa.
De moeder en het kind zien haar. Zij glimlachen.
Het kind vraagt aan Madelief: βHoi, hoe gaat het?β Madelief lacht.
βGoed, en met jou?β
βIk heb chocolade! Wij hebben boodschappen.β
βIk zie het. Jullie hebben veel boodschappen.β
Het kind knikt. Hij antwoordt: βJij hebt niet veel dingen.β Madelief kijkt in haar mandje.
Ze zegt: βDat klopt. Ik heb niet veel.β
βJe lijkt op een prinses.β Madelief bloost.
Ze zegt: βDankjewel. Jij lijkt op een prins.β Ze blozen nu allebei.
Het kind kijkt weer naar haar mandje. βJe eet niet veel.β Hij trekt aan de rok van zijn moeder.
Madelief loopt to the checkout.
The mother and child zien her. They glimlachen.
The child vraagt Madelief, βHi, how gaat you?β Madelief lacht.
βGood, and you?β
βI heb chocolate! We hebben groceries.β
βI zie it. You hebben a lot of groceries.β
The child knikt. He antwoordt, βYou donβt hebt a lot of things.β Madelief kijkt in her basket.
She zegt, βThatβs true. I donβt heb a lot.β
βYou lijkt like a princess.β Madelief blushes.
She zegt, βThank you. You lijkt like a prince.β They both blozen now.
The child kijkt in her basket again. βYou donβt eet much.β He trekt on his motherβs skirt.