π¬π§
π¬π§
We kunnen werkwoordstijden op verschillende manieren onderscheiden. Als eerste hebben we de tegenstelling tussen dingen die nu gebeuren (dicht bij het moment dat je spreekt) en dingen die in het verleden gebeurden (verder weg van het moment dat je spreekt).Β
Deze twee werkwoordstijden zijn de basis van alle werkwoordstijden: de tegenwoordige tijd en de verleden tijd.Β
De tegenwoordige tijd hebben we in de A1-module besproken.Β
Talking about something happening now.
In deze les gaan we het hebben over de verleden tijd.Β
Met deze tijd kun je eindelijk praten over dingen die al gebeurd zijn.Β
Een van de hulpwerkwoorden die samen met de stamvorm van een ander werkwoord worden gebruikt om onderscheid in stemming uit te drukken.
–
Past tense